In deze zaak staat centraal of de contractuele rente over het niet betaalde deel van de koopprijs van een pand doorloopt tijdens het schuldeisersverzuim van de verkoper. Partijen waren in 1989 overeengekomen dat de economische eigendom van het pand werd overgedragen tegen betaling in termijnen met een rente van 7% over het openstaande bedrag. In 2007 bood de koper aan het restant te voldoen tegen overdracht van de juridische eigendom, maar de verkoper accepteerde dit aanbod niet, waardoor hij in schuldeisersverzuim kwam.
De rechtbank wees de vorderingen van de koper af, maar het hof vernietigde eerdere vonnissen en oordeelde dat de verkoper de overeenkomst niet rechtsgeldig had ontbonden en dat de koper recht had op levering van het pand tegen betaling van het openstaande bedrag inclusief rente. De Hoge Raad stelde vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had over de doorbetaling van de rente tijdens schuldeisersverzuim.
Volgens de Hoge Raad leidt schuldeisersverzuim ertoe dat de schuldenaar geen wettelijke of bedongen rente verschuldigd is over de niet-betaalde som, tenzij uit de omstandigheden en redelijkheid en billijkheid anders volgt. Het hof had geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom bepaalde de Hoge Raad dat de rente niet doorloopt vanaf het intreden van het schuldeisersverzuim. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het anders bepaalde en sprak zelf af dat de rente niet verschuldigd is vanaf 1 september 2007 tot het einde van het schuldeisersverzuim.