Uitspraak
gevestigd te Utrecht,
gevestigd te Capelle aan de IJssel,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
- Er was sprake van een mondiale kredietcrisis waarbij ook grote financiële instellingen in ernstige moeilijkheden waren geraakt. Dit kan beleggers eind september 2008 niet zijn ontgaan (rov. 4.2.6).
- Bij Fortis was mogelijk sprake van grote problemen (onder meer) met betrekking tot de overname van ABN AMRO, de negatieve financiële gevolgen van de verkoop van HBU, moeilijkheden met de solvabiliteit met als gevolg een teruglopend vertrouwen in Fortis, met gevolgen voor de liquiditeitspositie van de bank, aftreden/afwezigheid van bestuurders en de problemen met de verkoop van assets (Vinci en Ping-An). Deze problemen waren echter niet van dien aard dat zij – de context van de crisis weggedacht – op zichzelf het voortbestaan van Fortis bedreigden (rov. 4.2.11).
- In het weekeinde van 27/28 september 2008 was het faillissement van Fortis een reële dreiging (rov. 4.2.6).
- De directe oorzaak van deze dreiging was de uitstroom van liquiditeiten. Het onmiskenbare doel van de Staat bij de eerste reddingsoperatie (op zondag 28 september) was om te voorkomen dat klanten en spaarders op grote schaal bij Fortis aangehouden tegoeden zouden opeisen (rov. 4.2.9).
- De Staat heeft in zijn mededelingen over de eerste reddingsoperatie duidelijk gemaakt dat deze gericht was op het veiligstellen van de stabiliteit van het bancaire systeem en op het herstel van het vertrouwen in Fortis van rekeninghouders en andere banken (rov. 4.2.7).
- Het publiek kon de uitlatingen van de minister dat Fortis in essentie een gezond bedrijf is en dat de garantstellingen het bedrijf nog gezonder hadden gemaakt, opvatten als mededeling dat men vertrouwen kon hebben in Fortis. Dat beeld is, gelet op de financiële situatie, mogelijk vrij rooskleurig maar, gezien de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan, niet misleidend (4.2.10).
- Beleggers
5.Beslissing
30 september 2016.