Belanghebbende, woonachtig in België, was in 2008 in dienst bij een Belgische werkgever en verrichtte werkzaamheden voor een Nederlands bedrijf, deels vanuit huis in België. De vraag was welke socialezekerheidswetgeving van toepassing was: de Nederlandse of de Belgische.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende regelmatig thuis werkte in België, wat betekent dat hij werkzaamheden in loondienst in twee lidstaten verrichtte. Op grond van artikel 14, lid 2, van Verordening 1408/71 is dan de wetgeving van de woonstaat, hier België, van toepassing.
De Staatssecretaris stelde dat beide landen overeenkwamen dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet doorslaggevend is voor de omvang van de werkzaamheden in België. Het Belgische oordeel over de aard van de werkzaamheden is niet relevant voor de vraag of de omvang van het werk in België voldoende is om de Belgische wetgeving toe te passen.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing is op de werkzaamheden die belanghebbende in België verrichtte.