Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
9 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over het begrip 'rechthebbende' in artikel 138a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, dat betrekking heeft op kraken. De verdachte werd verweten in een pand te Zaandam te hebben verbleven waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd.
Het hof had geoordeeld dat de eigenaar van het pand, die het pand sinds 2008 in bezit had en het pand sinds juli 2010 niet meer verhuurde en feitelijk onbewoonbaar was, als rechthebbende moest worden beschouwd. De hypotheekverstrekker, die voorbereidingen trof voor executoriale verkoop, kon niet als rechthebbende worden aangemerkt omdat diens bevoegdheid beperkt was tot de verkoop en niet tot het in gebruik geven van het pand.
De verdediging stelde dat de bank als rechthebbende moest worden gezien, maar de Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat dit niet het geval is. Het hof had dit oordeel voldoende gemotiveerd en het beroep van de verdachte werd verworpen.
De Hoge Raad benadrukte dat onder 'rechthebbende' degene wordt verstaan die bevoegd is tot het in gebruik geven van een woning of gebouw, en dat het feit dat de bank voorbereidingen treft voor executoriale verkoop niet impliceert dat zij deze bevoegdheid heeft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat de bank niet als rechthebbende kan worden aangemerkt.