Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 februari 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2015. Echter, de middelen van cassatie zijn niet binnen de wettelijke termijn ingediend door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Het arrest is uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 9 februari 2016, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase aanwezig waren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.