ECLI:NL:HR:2016:2051

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2016
Publicatiedatum
9 september 2016
Zaaknummer
16/01303
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 Fw
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken belang bij tussentijdse WSNP-beëindiging

De zaak betreft een verzoeker die cassatie instelde tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake de tussentijdse beëindiging van een WSNP-procedure op grond van artikel 350 lid 3 Faillissementswet Pro. De rechtbank Noord-Holland had eerder vonnissen gewezen in deze insolventiezaken.

De Procureur-Generaal stelde voor het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de verzoeker onvoldoende belang had bij de behandeling van het beroep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. De tekortkoming in de informatieverplichting werd als gering beoordeeld, waardoor het beroep niet ontvankelijk werd verklaard.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 9 september 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geringe tekortkoming.

Uitspraak

9 september 2016
Eerste Kamer
16/01303
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer C/14/11/282 R van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2014 en 28 januari 2016;
b. het arrest in de zaak 200.184.931/01 van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-14).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
9 september 2016.