Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
9 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, inzake een strafzaak. De verdachte werd geconfronteerd met een geldboete van € 100.000,-. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen met betrekking tot de strafoplegging, en stelde voor de straf te verminderen tot de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen, waarvan de eerste tot en met het vierde middel niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het vijfde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro tijdens de cassatiefase, vanwege het te laat inzenden van stukken door het hof.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de opgelegde geldboete te verminderen van € 100.000,- naar € 97.500,-. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 9 februari 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde geldboete van € 100.000,- naar € 97.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.