De zaak betreft een geschil tussen de Vereniging van Eigenaren (VvE) van een bungalowpark met 120 vakantiehuisjes en enkele eigenaren die hun lidmaatschap van de VvE hebben opgezegd. De VvE incasseert parkbijdragen van deze eigenaren en stelt dat een contractueel beding dat verhuur via een bemiddelingsorganisatie voorschrijft niet onredelijk bezwarend is.
De procedure doorliep diverse instanties, waaronder de kantonrechter en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarvan de arresten aan het arrest van de Hoge Raad zijn gehecht. De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van de VvE en het incidenteel cassatieberoep van de eigenaren.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten in beide beroepen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. De Hoge Raad verwerpt daarom zowel het principale als het incidentele beroep.
De VvE wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, evenals de eigenaren in het incidentele beroep. Het arrest bevestigt dat het contractuele beding omtrent verhuur via een bemiddelingsorganisatie niet onredelijk bezwarend is en dat de incasso van parkbijdragen door de VvE gerechtvaardigd is.