Belanghebbende, een ondernemer in de bouw, gebruikte een kamer in zijn gehuurde woning als werkkamer voor zijn onderneming. Het Hof Den Haag had geoordeeld dat het huurrecht geen bedrijfsmiddel vormde en dat aftrek van huisvestingskosten beperkt was omdat de werkkamer niet als zelfstandig gedeelte van de woning werd gezien.
De Hoge Raad stelt dat een huurrecht een vermogensrecht is en als ondernemingsvermogen kan worden aangemerkt wanneer het mede voor de onderneming wordt gebruikt. Hierdoor kunnen de volledige huurkosten ten laste van de winst worden gebracht, met een bijtelling voor privégebruik volgens artikel 3.19 Wet IB 2001.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van €27.469 en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten. De zaak wordt afgedaan zonder verdere behandeling van overige klachten.