Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
2 februari 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De advocaat van de verdachte heeft een schriftuur ingediend ter onderbouwing van het cassatieberoep. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat de partij die het beroep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij de cassatie, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a RO en na het horen van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 2 februari 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende cassatiegronden.