Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 februari 2016.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv betreffende de teruggave van inbeslaggenomen goederen die behoorden tot de nalatenschap van wijlen betrokkene. De rechtbank had het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van bepaalde goederen gelast aan de klaagster en andere goederen aan een vereffenaar van de boedel.
De klaagster stelde dat zij als erfgenaam rechthebbende was en dat de goederen aan haar toekwamen. De rechtbank vond echter dat zij dit niet aannemelijk had gemaakt en besloot dat de teruggave aan de vereffenaar moest plaatsvinden. De klaagster stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte de teruggave aan een ander dan haar had gelast.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet geen mogelijkheid biedt om in de beklagprocedure een last tot teruggave aan een ander dan de klaagster te geven. De rechtbank had dit dan ook niet mogen doen. Echter, omdat de klaagster het oordeel van de rechtbank dat zij niet als rechthebbende kan worden aangemerkt niet bestreed, heeft zij geen belang bij vernietiging en terugwijzing.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het oordeel van de rechtbank in stand dat de teruggave aan de vereffenaar moet plaatsvinden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij vernietiging.