Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
2 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van moord en medeplegen van diefstal van de bij die moord gebruikte auto.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde terwijl verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Daarom werd de straf verminderd van twintig jaar tot negentien jaar en zeven maanden gevangenisstraf. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het arrest dus deels en deed zelf uitspraak over de strafvermindering, waarbij het beroep in cassatie voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot negentien jaar en zeven maanden wegens overschrijding redelijke termijn.