Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De tenlastelegging en de motivering van de vrijspraak
3.Juridisch kader
5.Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen
6.Beslissing
2 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk verstrekken van staatsgeheime informatie aan een buitenlandse mogendheid, de Russische Federatie, in de periode van maart 2010 tot juli 2011. Het ging om zeven specifiek omschreven documenten afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die volgens het Openbaar Ministerie staatsgeheimen bevatten. Het hof sprak de verdachte vrij omdat niet aannemelijk was geworden dat deze documenten staatsgeheimen bevatten.
De Hoge Raad formuleerde de maatstaf voor de strafrechter bij de beoordeling of een inlichting als staatsgeheim moet worden aangemerkt. Hierbij is de rubricering door de 'eigenaar' van de informatie een bruikbare aanwijzing, maar niet doorslaggevend. De rechter moet zelfstandig beoordelen of de geheimhouding door het belang van de staat of zijn bondgenoten wordt geboden. Het hof had dit onderzoek naar de materiële kwalificatie van de documenten adequaat uitgevoerd.
De documenten waren gerubriceerd als 'BZ-vertrouwelijk', wat niet formeel staatsgeheimen zijn. Deskundigen en NAVO-damage assessments gaven uiteenlopende meningen over de juiste rubricering, maar het hof vond onvoldoende bewijs dat de documenten staatsgeheimen bevatten. Ook werd vastgesteld dat de NAVO niet als eigenaar van de informatie kon worden aangemerkt en dat de Nederlandse rubricering correct was.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de vrijspraak. De strafrechter moet terughoudend zijn in het kwalificeren van informatie als staatsgeheim wanneer de eigenaar deze niet als zodanig heeft gerubriceerd. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van rubriceringen en de inhoud van documenten in spionagezaken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dat de gelekte documenten staatsgeheimen bevatten.