Uitspraak
gevestigd te Enkhuizen,
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vraag
4.Beslissing
8 juli 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of bij een verzoekschrift tot faillietverklaring van een vennootschap onder firma (vof) en haar vennoten het griffierecht éénmaal of voor elk faillissement afzonderlijk moet worden geheven. Mr. Bierens had namens zijn cliënte een verzoekschrift ingediend voor het faillissement van zowel de vof als haar twee vennoten, waarna de griffier driemaal griffierecht in rekening bracht.
Mr. Bierens maakte bezwaar tegen deze heffing en stelde dat slechts één griffierecht verschuldigd was omdat het om één verzoekschrift ging. De Hoge Raad bekeek de wettelijke bepalingen, waaronder art. 3 lid 2 en Pro art. 15 lid 1 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), en de parlementaire geschiedenis. Uit de jurisprudentie, met name het arrest van 6 februari 2015, blijkt dat het faillissement van de vof en van haar vennoten afzonderlijk moeten worden verzocht en beoordeeld, maar dat deze verzoeken een direct verband hebben.
De Hoge Raad concludeerde dat hoewel het verzoekschrift meerdere faillissementsverzoeken bevat, vanwege het directe verband tussen de vof en haar vennoten slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is. Dit oordeel wijkt af van de situatie waarin verzoeken geen direct verband hebben en afzonderlijk griffierecht kunnen opleveren. De beslissing bevestigt de systematiek van de Wgbz en verduidelijkt de toepassing bij faillissementsverzoeken van vof en vennoten.
Uitkomst: Bij een faillissementsverzoek voor een vennootschap onder firma en haar vennoten is slechts eenmaal griffierecht verschuldigd.