ECLI:NL:HR:2016:151

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
28 januari 2016
Zaaknummer
14/02905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:301 lid 2 BWArt. 7:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in koopovereenkomst woning en procesrechtelijke kwesties

In deze zaak stond een geschil omtrent een koopovereenkomst van een woning centraal, waarbij tevens procesrechtelijke vragen aan de orde waren, zoals de betekenis van berusting ingevolge een vaststellingsovereenkomst en de vereisten voor het inschrijven van een dagvaarding volgens artikel 3:301 lid 2 BW Pro.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage en het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarop het cassatieberoep is gebaseerd. Eiser stelde zich op het standpunt dat het hof onjuist had geoordeeld, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie.

De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep, waarop de Hoge Raad volgde. De Hoge Raad benadrukt dat gezien artikel 81 lid 1 RO Pro geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.

Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

29 januari 2016
Eerste Kamer
14/02905
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 402451/HA ZA 11-2356 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 november 2011 en 30 mei 2012;
b. het arrest in de zaak 200.112.216/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van18 november 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.991,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
29 januari 2016.