Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 14 juli 2015, nr. 14/00632, betreffende de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een aanslag onroerendezaakbelasting over het jaar 2013 voor een onroerende zaak te [Z]. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Op grond hiervan en met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, en na advies van de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Het arrest werd uitgesproken door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren op 29 januari 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.