Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 29 juni 2015, nr. HAA 15/1344 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 2 februari 2015 (nr. SGR 14/7201).
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof in een belastingrechtelijk geschil. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft, na overleg met de Procureur-Generaal, op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Het arrest is gewezen door raadsheer C. Schaap als voorzitter, en raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016. De beslissing bevestigt de strikte ontvankelijkheidstoets bij cassatieberoepen in belastingrechtelijke bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.