Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 23 juni 2015, nr. 14/00441, betreffende het verzoek van belanghebbende tot herziening van de uitspraak van het Hof van 19 juli 2012, nr. 07/01018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een verzoek tot herziening van een eerdere hofuitspraak. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), J. Wortel en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
Deze uitspraak bevestigt de strenge toetsing van de Hoge Raad op de ontvankelijkheid van cassatieberoepen in bestuursrechtelijke belastingzaken, waarbij onvoldoende belang of niet-cassatiegeschikte middelen leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of niet-cassatiegeschikte middelen.