Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De kern van het cassatieberoep betreft het ontbreken van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen in het arrest, terwijl dit op straffe van nietigheid verplicht is volgens art. 359, derde en achtste lid, Sv.
De Hoge Raad constateert dat het bestreden arrest niet voldoet aan deze wettelijke eis omdat het niet de bewijsmiddelen bevat die het hof heeft gebruikt voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Ook is geen aanvulling verstrekt zoals bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor hernieuwde berechting, hetgeen de Hoge Raad volgt. Het beroep wordt voor het overige verworpen omdat geen andere gronden voor vernietiging zijn gevonden.
De Hoge Raad vernietigt derhalve het arrest uitsluitend voor zover het betrekking heeft op het ten laste gelegde feit en de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens ontbreken van bewijsmiddelen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.