Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
24 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verzoekster tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag. Het verzoekschrift tot cassatie, ingediend op 10 maart 2016, voldeed niet aan de vereisten van artikel 426a lid 1 Rv omdat het niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad wijst erop dat dit verzuim hersteld kan worden door het verzoekschrift binnen twee weken opnieuw in te dienen met de juiste ondertekening. Verzoekster heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
Daarom verklaart de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep. De beschikking is gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 24 juni 2016.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad.