Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 juni 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van een periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden centraal, met name de betekenis van het begrip 'winst uit onderneming' en de vraag hoe investeringen in de gemeenschappelijke woning daarin moeten worden betrokken.
De man stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, dat eerder uitspraak had gedaan over de verrekening van vermogensbestanddelen tussen partijen. De vrouw verzocht het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen. Hiermee werd de beschikking van het gerechtshof bekrachtigd.
De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 1:141 BW Pro en artikel 81 lid 1 RO Pro in het kader van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding en verduidelijkt de peildatum en de invulling van het begrip 'winst uit onderneming' in relatie tot investeringen in de gemeenschappelijke woning.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.