ECLI:NL:HR:2016:1287

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2016
Publicatiedatum
23 juni 2016
Zaaknummer
15/02624
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:141 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huwelijkse voorwaarden en periodiek verrekenbeding bij investering in gemeenschappelijke woning

In deze zaak stond de uitleg van een periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden centraal, met name de betekenis van het begrip 'winst uit onderneming' en de vraag hoe investeringen in de gemeenschappelijke woning daarin moeten worden betrokken.

De man stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, dat eerder uitspraak had gedaan over de verrekening van vermogensbestanddelen tussen partijen. De vrouw verzocht het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen. Hiermee werd de beschikking van het gerechtshof bekrachtigd.

De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 1:141 BW Pro en artikel 81 lid 1 RO Pro in het kader van huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding en verduidelijkt de peildatum en de invulling van het begrip 'winst uit onderneming' in relatie tot investeringen in de gemeenschappelijke woning.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

24 juni 2016
Eerste Kamer
15/02624
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak C/13/491365 / FA RK 11-4376 van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2012 en 11 december 2013;
b. de beschikking in de zaak 200.143.156/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2015.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping.
De advocaat van de man heeft bij brief van 8 april 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
24 juni 2016.