Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
14 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 10 september 2010 op Schiphol werd aangetroffen met 35.000 Zwitserse Franken, een groot contant geldbedrag waarvan het hof aannam dat het afkomstig was uit enig misdrijf. De verdachte werd veroordeeld wegens witwassen op grond van artikel 420bis.1.b Sr. Het hof baseerde zijn oordeel op feiten en omstandigheden waaronder het ontduiken van de meldingsplicht, het verschil in opgegeven en werkelijk bij zich hebben geldbedrag, en het ontbreken van een concrete, verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld.
De verdachte verklaarde dat het geld afkomstig was uit autohandel in Nigeria en Zwitserland, maar kon geen documenten of bewijsstukken overleggen ter ondersteuning van deze verklaring. Het hof stelde vast dat de door verdachte overgelegde documenten niet authentiek waren en dat de getuigenverklaringen onvoldoende waren. Het hof concludeerde daarom dat het geld, onmiddellijk of middellijk, van misdrijf afkomstig moest zijn en dat de verdachte hiervan op de hoogte was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. Het hof had geen onjuiste rechtsopvatting en het oordeel was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie omtrent het bestanddeel 'uit enig misdrijf afkomstig' en benadrukte dat het ontbreken van direct bewijs niet uitsluit dat het geld uit een misdrijf afkomstig is indien dit op grond van feiten en omstandigheden niet anders kan zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht van verdachte mocht verlangen een concrete en verifieerbare verklaring te geven en dat het ontbreken daarvan het vermoeden van witwassen bevestigde. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 14 juni 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte wist dat het bij hem aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig was en verwerpt het cassatieberoep.