Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:1166

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
10 juni 2016
Zaaknummer
15/00815
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieverzoek inzake verdeling beperkte gemeenschap en financiële afwikkeling na beëindiging gezamenlijke exploitatie café

In deze zaak stond de verdeling van een beperkte gemeenschap van goederen en de financiële afwikkeling na het beëindigen van de gezamenlijke exploitatie van een café centraal. Eiser had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat eerder de uitspraken van lagere instanties had bevestigd.

Eiser stelde onder meer dat sprake was van schending van het equality of arms-beginsel door onvoldoende gelegenheid om de boekhouding in te zien, wat zou neerkomen op een schending van artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en eiser veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof in stand dat de verdeling en financiële afwikkeling regelde na het einde van de gezamenlijke exploitatie van het café.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

10 juni 2016
Eerste Kamer
15/00815
EE/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
[verweerder] ,
handelend onder de naam Café Derat,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 683901 UC EXPL 10-4323 He/511 van de kantonrechter te Utrecht van 30 juni 2010 en 6 oktober 2010;
b. de vonnissen in de zaak 294872/HA ZA 10-2202 van de rechtbank Utrecht van 17 november 2010, 20 april 2011, 26 oktober 2011 en 12 december 2012;
c. het arrest in de zaak 200.127.854 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 oktober 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 7 april 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 393,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 juni 2016.