Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
10 juni 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 december 2015, betreffende een insolventiezakenprocedure. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten in de zaak voor de feitelijke context.
De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen en de verzoeker onvoldoende belang heeft bij het beroep.
De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de aangevoerde klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 10 juni 2016 gewezen en in het openbaar uitgesproken door de raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.