Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin zij werd veroordeeld voor poging tot diefstal in een winkel te Zaandam op 15 maart 2013. Het hof oordeelde dat sprake was van een voltooide poging tot diefstal, waarbij verdachte en een medeverdachte kledingstukken gebruikten om tassen van winkelende vrouwen af te leiden en te openen.
Verdachte voerde in hoger beroep het middel van vrijwillige terugtred aan op grond van art. 46b Sr, stellende dat zij zelf had gekozen om weg te gaan en zich niet betrapt voelde. Het hof verwierp dit verweer omdat de poging tot diefstal al voltooid was door het openen van de tas, en dus geen plaats was voor vrijwillige terugtred.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste juridische opvatting had over het begrip vrijwillige terugtred bij een voltooide poging, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het beroep op vrijwillige terugtred onvoldoende was onderbouwd. Het hof had op basis van de bewijsmiddelen terecht het beroep verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.