Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot 12 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord en medeplegen van poging tot moord.
De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De raadsman reageerde schriftelijk op deze conclusie.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 31 mei 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.