Uitspraak
1.Geding in cassatie
17th July, 2007, that is, each shipment should be accompanied by the following documents:
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
20 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft de uitvoer van afvalstoffen, waaronder ijzer- en staalschroot en aluminiumschroot, van Nederland naar China in de periode van augustus tot oktober 2008. Verdachte werd beschuldigd van het overtreden van het uitvoerverbod op afvalstoffen zoals neergelegd in artikel 2 onder Pro 35 sub f van Verordening (EG) nr. 1013/2006 (EVOA) en artikel 10.60 Wet milieubeheer, omdat de afvalstoffen niet vergezeld gingen van een CCIC-certificaat dat China vereist voor invoer.
Het hof sprak verdachte vrij omdat China, hoewel een invoerverbod stelde zonder CCIC-certificaat, niet had gekozen voor een uitvoerverbod onder artikel 36 EVOA Pro. China had aangegeven dat voor deze afvalstoffen geen controle in het land van bestemming plaatsvindt, maar wel een nationale controleprocedure die het CCIC-certificaat vereist. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het invoerverbod van China niet gelijkstaat aan een uitvoerverbod onder EVOA, zodat geen sprake is van een illegale overbrenging.
Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en het oordeel niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad benadrukte de scheiding tussen het Europese uitvoerregime en de nationale invoercontrole van China. Hierdoor werd de verdachte definitief vrijgesproken van de tenlastelegging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken van een uitvoerverbod onder artikel 36 EVOA ondanks het invoerverbod van China.