Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die door het Hof is veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie en een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) voor twaalf maanden. Het Hof volgde het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, ondanks dat een psycholoog in een separaat rapport stelde dat een GBM een te zware maatregel zou zijn.
De verdachte had zich schuldig gemaakt aan het bezit van vuurwapens en patronen, heling van een bromfiets en inbraak. Het Hof vond, mede op basis van diverse rapporten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, dat het recidiverisico zonder begeleiding groot was en dat de GBM de beste manier was om zijn ontwikkeling te bevorderen.
Het middel in cassatie stelde dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ondersteund moest worden door een gedragsdeskundige met een gelijkgerichte conclusie. De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat noch de tekst noch de strekking van artikel 77w, tweede lid, Wetboek van Strafrecht dit vereist.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de GBM terecht was opgelegd zonder dat een separaat gedragsdeskundig advies met een gelijkgerichte conclusie was overgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de oplegging van een gedragsmaatregel aan de jeugdige zonder dat een separaat gedragsdeskundig advies met een gelijkgerichte conclusie vereist is.