Belanghebbende, een Belgische ondernemer die deelneemt in een Nederlandse vennootschap onder firma, betaalde in 2006 en 2007 bijdragen aan het Belgische RSVZ, die deels betrekking hadden op rust- en overlevingspensioen. De Inspecteur legde aanslagen op waarbij deze bijdragen niet als aftrekbare kosten werden erkend. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de bijdragen niet aftrekbaar waren, omdat niet was aangetoond dat de Belgische overheidsfondsen vergelijkbaar waren met toegelaten aanbieders volgens de Nederlandse wet.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 7 april 2009 goedkeurt dat het deel van de RSVZ-bijdrage dat betrekking heeft op het rust- en overlevingspensioen als negatief loon kan worden aangemerkt, zonder nadere eisen aan het lichaam waaraan de bijdrage wordt betaald. Hierdoor slaagt het beroep van belanghebbende voor zover het gaat om het pensioencomponent.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, met name om te onderzoeken of aftrek van het pensioencomponent van de bijdragen wordt belemmerd door andere door de Inspecteur aangevoerde gronden. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten.