ECLI:NL:HR:2015:804

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2015
Publicatiedatum
31 maart 2015
Zaaknummer
13/05944
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328 SvArt. 330 SvArt. 331 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens verzuim beslissing op verzoek deskundigenonderzoek in schuldwitwassenzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor schuldwitwassen. De verdediging had tijdens het hoger beroep een voorwaardelijk verzoek ingediend tot deskundigenonderzoek naar cognitieve stoornissen van verdachte. Dit verzoek was aan de wettelijke voorwaarden voldaan, waardoor het hof verplicht was hier een uitdrukkelijke beslissing op te nemen.

Het hof heeft echter nagelaten om op dit verzoek te beslissen, hetgeen volgens de Hoge Raad een verzuim is dat leidt tot nietigheid van het arrest op grond van art. 330 Sv Pro. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting.

Inhoudelijk had het hof geoordeeld dat verdachte schuldwitwassen had gepleegd door grote geldbedragen te beheren en over te maken, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was. De verdediging voerde onder meer aan dat cognitieve stoornissen de schuld uitsloten, maar het hof ging hier niet op in door het verzoek tot deskundigenonderzoek niet te behandelen.

De Hoge Raad benadrukt het belang van een uitdrukkelijke beslissing op een dergelijk verzoek en stelt dat het ontbreken daarvan niet kan worden hersteld zonder vernietiging van het arrest. De zaak wordt derhalve terugverwezen voor een volledige behandeling inclusief het deskundigenonderzoek.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens het niet beslissen op het verzoek tot deskundigenonderzoek en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.

Uitspraak

31 maart 2015
Strafkamer
nr. S 13/05944
LBS/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 oktober 2013, nummer 21/003583-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd een beslissing te geven op een voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot een doen instellen van een onderzoek door een deskundige.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van 29 juni 2009 tot en met 29 december 2009, in Nederland en te Liechtenstein en in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen grote geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en van voornoemde geldbedragen de herkomst heeft verhuld, althans heeft verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."
2.2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
"Mocht Uw Hof van oordeel zijn dat het overgelegde medische rapport onvoldoende getuigt van dermate cognitieve stoornissen, dat die culpa in de zin van de wet opheffen, dan verzoek ik uw Hof om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden in hoeverre cognitieve stoornissen bij [verdachte] verhinderen dat zij, onder de omstandigheden, waaronder een en ander heeft plaatsgevonden, kon nadenken zoals van een gemiddeld mens ten deze verwacht mocht worden."
2.2.3.De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
"Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van al het tenlastegelegde. Bij verdachte is geen sprake geweest van wetenschap (ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet) en ook niet van redelijkerwijs moeten vermoeden dat de geldbedragen middellijk of onmiddellijk afkomstig zouden zijn uit misdrijf. Verdachte wist niets van de beweerdelijke herkomst van het geld, anders dan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], en wist niet eens om welk bedrag of welke bedragen het ging. Van een nauwe en bewuste samenwerking kan daarom niet worden gesproken. Verdachte mocht haar zoon vertrouwen en heeft in dit vertrouwen te goeder trouw gehandeld.
(...)
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, wordt weersproken door de wettige bewijsmiddelen. Het hof acht bewezen dat verdachte op verzoek van [medeverdachte 2] geldbedragen op haar rekening heeft laten overschrijven en dat zij tweemaal op verzoek van [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] naar de bank is gegaan om de geldbedragen vervolgens op de rekening van [medeverdachte 2] over te laten schrijven.
De verklaring van verdachte dat zij niet heeft geweten hoe hoog de geldbedragen waren die op haar rekening waren gestort, acht het hof niet geloofwaardig. Immers, op de door verdachte ondertekende formulieren stonden de geldbedragen van respectievelijk € 110.000,- en € 109.000,- in de kop vermeld op dezelfde pagina als waarop haar handtekening stond.
Het hof is van oordeel dat verdachte - zo zonder meer - had moeten vermoeden dat het om van misdrijf afkomstig geld ging. Dit blijkt ook uit de hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg. Het ging om grote geldbedragen, terwijl verdachte wist dat haar zoon financiële problemen had. Zij heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de herkomst van het geld: van wie het afkomstig was en voor wie en wat het geld uiteindelijk bestemd was. Door [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] is geen valide reden gegeven voor het gebruik van haar bankrekening en verdachte heeft ook hier niet naar gevraagd.
Een en ander leidt het hof tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen."
2.3.
Uit het vorenstaande volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 328 in Pro verbinding met art. 331 en Pro art. 415 Sv Pro en dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in op het door de raadsman gedane verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge het hier toepasselijke art. 330 Sv Pro nietigheid tot gevolg.
2.4.
Het middel slaagt.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht e n afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 maart 2015.