Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor schuldwitwassen. De verdediging had tijdens het hoger beroep een voorwaardelijk verzoek ingediend tot deskundigenonderzoek naar cognitieve stoornissen van verdachte. Dit verzoek was aan de wettelijke voorwaarden voldaan, waardoor het hof verplicht was hier een uitdrukkelijke beslissing op te nemen.
Het hof heeft echter nagelaten om op dit verzoek te beslissen, hetgeen volgens de Hoge Raad een verzuim is dat leidt tot nietigheid van het arrest op grond van art. 330 Sv Pro. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting.
Inhoudelijk had het hof geoordeeld dat verdachte schuldwitwassen had gepleegd door grote geldbedragen te beheren en over te maken, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld uit misdrijf afkomstig was. De verdediging voerde onder meer aan dat cognitieve stoornissen de schuld uitsloten, maar het hof ging hier niet op in door het verzoek tot deskundigenonderzoek niet te behandelen.
De Hoge Raad benadrukt het belang van een uitdrukkelijke beslissing op een dergelijk verzoek en stelt dat het ontbreken daarvan niet kan worden hersteld zonder vernietiging van het arrest. De zaak wordt derhalve terugverwezen voor een volledige behandeling inclusief het deskundigenonderzoek.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens het niet beslissen op het verzoek tot deskundigenonderzoek en de zaak wordt terugverwezen naar het hof.