Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 januari 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betrof de vraag of de verdachte ten onrechte buiten zijn aanwezigheid was berecht. De verdachte stelde dat zijn aanwezigheid bij de berechting noodzakelijk was, maar het Hof oordeelde dat verdachte kennelijk vrijwillig afstand had gedaan van dit recht.
De Hoge Raad verwijst in zijn oordeel naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en bevestigt dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is. Daarbij speelde mee dat de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte geen aanhoudingsverzoek had ingediend en dat het Hof op basis van de informatie kon afleiden dat de verdachte zich niet in een strafrechtelijke detentie bevond, ook niet kort voor of tijdens de terechtzitting.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter, samen met twee raadsheren, en bevestigt de rechtmatigheid van het buiten aanwezigheid berechten van de verdachte onder de gegeven omstandigheden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof wordt bekrachtigd.