ECLI:NL:HR:2015:3710

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
23 december 2015
Zaaknummer
14/03503
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 117 SvArt. 134 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in beroep wegens beëindiging beslag na vernietiging voorwerpen

De zaak betreft een beroep in cassatie van klager tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, die klager niet-ontvankelijk verklaarde in zijn klaagschrift gericht op teruggave van in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank oordeelde dat het beslag was geëindigd door vernietiging van de voorwerpen met toestemming van de officier van justitie, op grond van artikel 117 Sv Pro. Volgens artikel 134, tweede lid, onder c, Sv eindigt het beslag daardoor, waardoor het klaagschrift niet ontvankelijk is.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep. Hiermee wordt bevestigd dat na vernietiging van de voorwerpen het beslag is beëindigd en geen grond meer bestaat voor het klaagschrift tot teruggave.

De beschikking is gegeven door de vice-president en twee raadsheren, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 22 december 2015.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep wegens beëindiging van het beslag na vernietiging van de voorwerpen.

Uitspraak

22 december 2015
Strafkamer
nr. S 14/03503 B
NA/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 juli 2014, nummer RK 14/277, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
De middelen klagen dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door vernietiging van de in beslag genomen voorwerpen het beslag op grond van art. 134, tweede lid, Sv is geëindigd en de klager daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het klaagschrift.
2.2.
De Rechtbank heeft de klager in zijn klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen voorwerpen, niet-ontvankelijk verklaard. In de bestreden beschikking is daaromtrent het volgende overwogen:
"Uit het relaas-proces-verbaal (p. 3) blijkt dat de voorwerpen met toestemming van de officier van justitie zijn vernietigd. Door vernietiging met een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv Pro eindigt het beslag (artikel 134 lid 2 onder Pro c Sv). Dat brengt met zich dat klager in zijn klaagschrift, strekkende tot teruggave van het beslag, niet ontvankelijk dient te worden verklaard."
2.3.
Art. 134 Sv Pro geeft aan in welke gevallen de inbeslagneming van een voorwerp eindigt. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de in beslag genomen voorwerpen zijn vernietigd op grond van een machtiging als bedoeld in art. 117 Sv Pro. Ingevolge art. 134, tweede lid onder c, Sv is daardoor het beslag beëindigd. Het oordeel van de Rechtbank dat de klager niet-ontvankelijk is in het beklag is juist.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 december 2015.