Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor feitelijke leiding over diverse fiscale en sociale verzekeringsdelicten, met een gevangenisstraf van vijf maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 180 uren. Het hof hield rekening met het mildere sanctieregime uit artikel 28c van de Wet op de loonbelasting 1964 voor enkele feiten.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest vanwege schending van het lex mitior-beginsel, met name voor de feiten onder 1 en 2, en adviseerde terugwijzing voor hernieuwde strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht geen aparte geldboetes oplegde en dat het cassatieberoep onvoldoende kansrijk was.
Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand, en wordt de strafoplegging niet gewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.