Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal nadat verdachte was vrijgesproken van een nieuw strafbaar feit dat de voorwaarde van een eerder voorwaardelijk sepot zou hebben geschonden. Het hof had geoordeeld dat het OM ontvankelijk was gebleven in de vervolging van het aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerde feit, ondanks de vrijspraak van het nieuwe strafbare feit.
De verdachte was op 14 augustus 2012 te Utrecht mishandeling ten laste gelegd, waarbij hij een persoon aan haar haren had getrokken met letsel als gevolg. Dit feit was aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerd onder de voorwaarde dat verdachte zich gedurende een proeftijd niet aan enig strafbaar feit zou schuldig maken. Na verdenking van een nieuw strafbaar feit werd verdachte vervolgd voor beide feiten, maar hij werd vrijgesproken van het nieuwe feit.
De verdediging voerde aan dat het OM niet ontvankelijk had moeten worden verklaard in de vervolging van het aanvankelijk geseponeerde feit, omdat de vrijspraak van het nieuwe feit het vertrouwensbeginsel zou schenden. Het hof verwierp dit verweer en motiveerde dat de voorwaarde in het sepot betrekking had op het ontstaan van een redelijke verdenking, niet op een veroordeling. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verklaarde het beroep van verdachte ongegrond, waarmee het hof-oordeel standhield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ondanks vrijspraak van het nieuwe strafbare feit.