ECLI:NL:HR:2015:3611

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2015
Publicatiedatum
17 december 2015
Zaaknummer
15/04824
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken van voldoende belang bij WSNP-toelating

In deze zaak heeft verzoekster cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam betreffende de toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam als feitelijke instanties.

De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) passend is, omdat de klachten van verzoekster geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. De Hoge Raad oordeelt dat verzoekster onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Gelet op artikel 80a lid 1 RO en na het horen van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is uitgesproken op 18 december 2015 door de raadsheren van Buchem-Spapens, Snijders, Polak en de raadsheer de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van voldoende belang.

Uitspraak

18 december 2015
Eerste Kamer
15/04824
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/13/575995/FT RK 14/2624 van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2015;
b. het arrest in de zaak 200.175.218/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 oktober 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.1-2.4).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
18 december 2015.