Uitspraak
wonende te [plaats],
gevestigd te Parijs, Frankrijk en tevens
te Noordwijk, Zuid-Holland,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
- i) ESA is een internationale, intergouvernementele organisatie met rechtspersoonlijkheid. ESA is in 1975 opgericht bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, gesloten te Parijs op 30 mei 1975 (Trb. 1975, 123; hierna: ESA-Verdrag).
- ii) Art. XV lid 2 ESA-Verdrag in verbinding met art. IV lid 1 van Bijlage I bij het ESA-Verdrag bepaalt dat ESA immuniteit van jurisdictie en van executie geniet.
- iii) Ingevolge art. XXVII van Bijlage I bij het ESA-Verdrag treft ESA passende voorzieningen voor een bevredigende regeling van geschillen die ontstaan tussen, onder meer, ESA en haar personeelsleden. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in Chapter VIII (‘Disputes’) van de ESA Staff Regulations, Rules and Instructions (hierna: Staff Regulations), door het instellen van een Appeals Board, dat voorziet in een interne rechtsgang voor geschillen tussen ESA en haar werknemers.
- iv) [eiser] c.s. zijn in dienst van ESA en als zodanig werkzaam voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC), de ESA-standplaats in Noordwijk.
- v) Ten tijde van hun indiensttreding bij ESA woonden [eiser] c.s., die geen van allen de Nederlandse nationaliteit bezitten, meer dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die vóór 1 januari 1996 bij ESA in dienst traden) in Nederland. Op grond van de Staff Regulations worden zij daarom beschouwd als lokaal geworven personeel.
- vi) Tussen [eiser] c.s. en ESA is een geschil ontstaan over de arbeidsvoorwaarden van [eiser] c.s., dat in de kern erop neerkomt dat laatstgenoemden menen ongelijk te worden behandeld ten opzichte van bepaalde andere werknemers van ESA. Als lokaal geworven personeel ontvangen [eiser] c.s. geen
- vii) In december 2005 hebben [eiser] c.s., althans een aantal van hen, over deze kwestie een petitie gericht aan de Directeur-Generaal van ESA. De Directeur-Generaal heeft in zijn reactie van 12 december 2005 (hierna: het besluit van ESA) afwijzend gereageerd op deze petitie.
Beer and Regan v. Germany (28934/95)en
Waite and Kennedy v. Germany (26083/94)van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie als ESA een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan partijen als [eiser] c.s. "reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention" ten dienste staan. Het hof leidt uit de uitspraken van het EHRM in de twee genoemde zaken, alsmede uit zijn uitspraken in de zaken
A.L. v. Italie (41387/98)van 11 mei 2000 en
Bosphorus v. Ireland (45036/98)van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM Pro, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar ("comparable") is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter "the essence of their "right to a court" ("la substance même du droit") aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten "manifestly deficient" is. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de stellingen en grieven van [eiser] c.s. getoetst moeten worden aan de vraag of de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter heeft aangetast. Aangezien [eiser] c.s. zich er daarbij uitsluitend op beroepen dat de door ESA in het leven geroepen alternatieve rechtsgang ontoereikend is, dient het hof tegen de achtergrond van de door het EHRM aangelegde maatstaf, te toetsen, niet zoals [eiser] c.s. kennelijk menen of de rechtsgang bij de Appeals Board in alle opzichten aan art. 6 EVRM Pro beantwoordt, zoals dit door het EHRM wordt uitgelegd wanneer de rechtsgang bij de overheidsrechter ter discussie wordt gesteld, maar of deze alternatieve rechtsgang zodanige gebreken vertoont dat het wezen van het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan hen in de alternatieve rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend ("manifestly deficient") is. Aangezien het hof hierna tot de slotsom komt dat daarvan geen sprake is komt het hof niet toe aan de door ESA opgeworpen vraag of de uitspraak van het EHRM inzake
Stichting Mothers of Srebrenica and others v. The Netherlands (65542/12)van 11 juni 2013 niet meebrengt dat een dergelijke toetsing geheel achterwege zou moeten blijven, omdat zonder meer gevolg zou moeten worden gegeven aan de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie. Bij die vraag heeft ESA immers geen belang meer.”
rov. 68) en komt het erop aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast (“the limitation on their access to the (…) courts (…) impaired the essence of their ‘right to a court’”; Waite & Kennedy/Duitsland, rov. 73). Deze maatstaf is door het EHRM onder meer herhaald in zijn uitspraak in de zaak Klausecker/Duitsland (EHRM 29 januari 2015, nr. 415/07, rov. 62-64).
ius cogens. Er is geen grond om bij de beantwoording van de vraag of art. 6 EVRM Pro belet dat in het kader van een civielrechtelijke rechtsvordering met succes een beroep wordt gedaan op immuniteit van jurisdictie, aan een (beweerdelijk) onjuiste toepassing van het Unierecht andere gevolgen toe te kennen dan aan een (beweerdelijk) bijzonder ernstige schending van een norm van internationaal recht, of zelfs een norm van
ius cogens.
4.Beslissing
18 december 2015.