Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
15 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling en vernieling van een mobiele telefoon. De bewezenverklaring omvatte het rukken en duwen van het slachtoffer, waardoor zij ten val kwam, en het met kracht vernielen van haar telefoon.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsklacht over het rukken en duwen in het midden kan blijven, omdat het vervallen van dat onderdeel de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aantast. Daarom is er geen belang bij vernietiging of terugverwijzing van de zaak op dat punt.
Wel wordt geoordeeld dat het hof ten onrechte de kosten van rechtsbijstand van de benadeelde partij heeft vermeerderd met wettelijke rente en daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr heeft opgelegd over die kosten en rente. De Hoge Raad vernietigt het arrest in zoverre en wijst een schadevergoeding toe van €1.959,03 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 januari 2014, terwijl de verdachte wordt verwezen in de kosten van rechtsbijstand van €143,-.
De verdachte wordt tevens verplicht tot betaling aan de Staat van het schadebedrag, met een vervangende hechtenis van 29 dagen bij niet-betaling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest deels, wijst een schadevergoeding toe en verwijst de verdachte in de kosten van rechtsbijstand.