Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
20 november 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een bewindvoerder die toestemming vroeg aan de kantonrechter om het vermogen van een rechthebbende, bestaande uit een letselschade-uitkering, in te brengen in een besloten vennootschap (B.V.) met het oog op belastingvoordeel en het vermijden van toekomstige eigen bijdragen onder de AWBZ.
De kantonrechter en het gerechtshof wezen dit verzoek af omdat de inbreng in de B.V. zou leiden tot onttrekking van het vermogen aan het wettelijke toezicht van de kantonrechter. Het hof oordeelde dat het vermogen na inbreng beheerd wordt door het bestuur van de B.V., zonder direct toezicht van de kantonrechter, en dat de autonomie van het bestuur volgens artikel 2:239 BW Pro niet toestaat dat de kantonrechter bindende aanwijzingen geeft.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Het oordeel dat de machtiging tot inbreng het vermogen onttrekt aan het kantonrechtertoezicht is niet onjuist of onbegrijpelijk. Het feit dat de rechthebbende aandelen ontvangt en dat de kantonrechter enige invloed kan uitoefenen op het stemrecht verandert hier niets aan.
De Hoge Raad benadrukt dat de bewindvoerder voor dergelijke handelingen toestemming van de kantonrechter nodig heeft en dat het beheer van het vermogen binnen de B.V. buiten het kantonrechtertoezicht valt. De uitspraak bevestigt daarmee de grenzen van het beschermingsbewind en het toezicht van de kantonrechter bij vermogensbeheer via een B.V.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat inbreng van het vermogen in een B.V. het toezicht van de kantonrechter onttrekt en daarom niet zonder machtiging is toegestaan.