Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
17 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin het hof de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding had toegewezen en deze vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 juni 2012. De benadeelde partij had zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd voor het niet toegewezen deel van de vordering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de wettelijke rente heeft toegekend omdat het vonnis van de rechtbank geen toewijzing van wettelijke rente bevatte en de benadeelde partij zich niet opnieuw had gevoegd in hoger beroep. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (HR 10 juli 2001).
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn van het cassatieproces is overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden met vier weken, zodat de straf zeven maanden en twee weken bedraagt, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de wettelijke rente betreft en vermindert de gevangenisstraf, maar verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest over wettelijke rente en vermindert de gevangenisstraf tot zeven maanden en twee weken.