ECLI:NL:HR:2015:3310

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2015
Publicatiedatum
16 november 2015
Zaaknummer
15/00199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 Wet op de Loonbelasting 1964Art. 6:106 lid 1 onder b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt loonbelastingheffing over vergoeding immateriële schade na ontslag

Belanghebbende sloot op 13 oktober 2011 een vaststellingsovereenkomst met zijn voormalige werkgever waarin een vergoeding van €85.000 bruto werd toegekend als vergoeding voor immateriële schade in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW. De werkgever hield hierop €44.200 aan loonbelasting en premie volksverzekeringen in.

In geschil was of deze vergoeding tot het belastbare loon moest worden gerekend. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het bedrag rechtstreeks voortvloeit uit de vroegere dienstbetrekking en dus tot het loon behoort, tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat het bedrag niet uit de dienstbetrekking voortkomt. Belanghebbende slaagde hier niet in.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatiemiddelen. De vergoeding werd gezien als inherent aan de afwikkeling van de dienstbetrekking na onvrijwillig ontslag. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van immateriële schade wordt als belastbaar loon aangemerkt.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 15/00199
20 november 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 16 december 2014, nr. 13/01074, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/5019) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 mei 2012 tot en met 31 mei 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 28 juli 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter regeling van de financiële gevolgen van de beëindiging van zijn dienstbetrekking bij zijn (voormalige) werkgever, de Stichting [A] te [Q] (hierna: de werkgever).
2.1.2.
In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer dat de werkgever een bedrag van € 85.000 bruto aan belanghebbende zal betalen als vergoeding van immateriële schade in de zin van artikel 6:106, lid 1, onder b, BW.
2.1.3.
De werkgever heeft dit bedrag uitbetaald onder inhouding van een bedrag van € 44.200 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of het bedrag van € 85.000 tot het belastbare loon van belanghebbende moet worden gerekend.
2.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat het door de werkgever toegekende bedrag rechtstreeks voortvloeit uit de (vroegere) dienstbetrekking tussen de werkgever en belanghebbende. Daarom dient het volledige bedrag tot het loon uit dienstbetrekking te worden gerekend tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat (een deel van) het bedrag niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten moet worden aangemerkt, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 85.000 is toegekend als vergoeding van aan de werkgever toe te rekenen immateriële schade. Daarbij heeft het Hof nog overwogen dat, voor zover belanghebbende dit bedrag beschouwt als vergoeding van psychisch leed door de wijze waarop hij is ontslagen en voorafgaande aan het ontslag is behandeld, sprake is van psychisch leed dat inherent is aan de afwikkeling van een dienstbetrekking door onvrijwillig ontslag.
2.4.
De tegen deze oordelen gerichte middelen, die zich voor gezamenlijke beoordeling lenen, falen. Voor zover de middelen inhouden dat het Hof heeft blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, stuiten zij af op hetgeen is vermeld in de onderdelen 6.9 en 6.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Voor het overige keren de middelen zich tegen oordelen die, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2015.