Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 5 juni 2015, nr. AWB 14/1935, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 oktober 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie en concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal besloot de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren. Hiermee wordt het cassatieberoep niet inhoudelijk behandeld en blijft de uitspraak van de lagere rechter in stand.
Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, op 30 oktober 2015. De beslissing bevestigt het belang van ontvankelijkheidsvereisten bij cassatieprocedures en benadrukt dat onvoldoende belang of kennelijke onbehandelbaarheid van klachten leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of kennelijke onbehandelbaarheid van klachten.