Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn namens betrokkene geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet tijdig indienen van middelen van cassatie in strijd is met de wettelijke voorschriften, met name art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan betrokkene niet worden ontvangen in het beroep.
De Hoge Raad verklaart betrokkene daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en wijst het beroep af. Dit arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.