Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die samen met anderen een pand aan de Koningin Wilhelminalaan 7 te Utrecht had gekraakt en daar wederrechtelijk verbleef. Het pand werd op grond van art. 551a Sv ontruimd, maar het Hof oordeelde dat deze ontruiming onrechtmatig was omdat de verdachte ten onrechte geen gelegenheid had gekregen om een kort geding aan te spannen.
De verdediging voerde aan dat de ontruiming disproportioneel en prematuur was, mede vanwege het grote tekort aan betaalbare woonruimte in Utrecht, en dat dit tot strafvermindering zou moeten leiden. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat de strafrechter bij een onrechtmatige ontruiming moet beoordelen of de civiele rechter in kort geding de ontruiming zou hebben toegestaan, en dat alleen bij ernstige schendingen van art. 8 EVRM Pro strafvermindering kan volgen.
Het Hof stelde vast dat er geen acuut gevaar was dat directe ontruiming rechtvaardigde en dat de ontruiming onrechtmatig was, maar verbond hieraan geen strafvermindering. Gezien het tijdsverloop en de omstandigheden legde het Hof een taakstraf van 30 uur op. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwerpt het cassatieberoep van de verdachte.
Uitkomst: De verdachte krijgt een taakstraf van 30 uur opgelegd ondanks de onrechtmatige ontruiming.