Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. Het hof motiveerde dit door te stellen dat verdachte tevoren bekend was met de datum van de terechtzitting op 3 juli 2013, omdat de inleidende dagvaarding als gewone brief naar het GBA-adres was verzonden en de oproeping vordering tenuitvoerlegging aan een gemachtigde was uitgereikt.
De verdachte betwistte dat hij tijdig kennis had van de zittingsdatum en stelde ontvankelijk te zijn in het hoger beroep. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor hernieuwde berechting.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte daadwerkelijk bekend was met de zittingsdatum. De enkele verzending van de dagvaarding als gewone brief en de uitreiking van de oproeping aan een gemachtigde leiden niet zonder meer tot kennisneming door verdachte. Daarom kon het arrest niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 6 oktober 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting van het hoger beroep.