Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2014. Namens verdachte diende mr. R.J. Baumgardt een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat gezien artikel 81, eerste lid, Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering noodzakelijk was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de raadsheer J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma. Het beroep werd verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef daarmee in stand.
De uitspraak betreft een cassatieprocedure waarin de Hoge Raad zich beperkte tot de formele toetsing en geen inhoudelijke beoordeling van het geschil gaf, hetgeen gebruikelijk is bij niet-ontvankelijkheid of niet-ontvankelijk verklaarde middelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.