Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te 's-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser, die zonder geldige bruikleenovereenkomst in een pand verbleef, de gemeente te verbieden het pand strafrechtelijk te ontruimen. De gemeente had het gebruiksrecht van het pand beëindigd en aangifte gedaan van wederrechtelijk verblijf. Zowel de voorzieningenrechter als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat art. 138a lid 1 Sr niet vereist dat het pand eerst wederrechtelijk is binnengedrongen om strafbaar te zijn; ook het voortgezet verblijf na beëindiging van het gebruiksrecht is strafbaar.
Eiser stelde in cassatie dat strafbaarheid alleen geldt indien voorafgaand wederrechtelijk binnendringen is vastgesteld. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde de uitleg van het hof, stellende dat de wetstekst en parlementaire geschiedenis geen beperking van strafbaarheid tot gevallen met voorafgaand binnendringen ondersteunen. De wetgever heeft juist beoogd een algeheel kraakverbod te creëren dat ook het wederrechtelijk verblijven na beëindiging van het gebruiksrecht omvat.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding. Hiermee is de strafrechtelijke ontruiming van het pand door de gemeente bevestigd, ook zonder dat sprake was van een voorafgaand wederrechtelijk binnendringen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt strafbaarheid van wederrechtelijk verblijf zonder voorafgaand binnendringen.