Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2014. Echter heeft hij niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad beoordeelt daarom de ontvankelijkheid van het beroep en concludeert dat het beroep niet ontvankelijk is. Er zijn geen middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld, waardoor niet is voldaan aan de formele vereisten.
Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep en wijst het beroep af. Het arrest is gewezen door vice-president A.J.A. van Dorst en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 17 maart 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.