Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil over omgang en gezag tussen de vrouw als verzoekster tot cassatie en de man als verweerder centraal. De zaak betrof meerdere beschikkingen van de rechtbank Amsterdam en een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, waarop het cassatieberoep werd gebaseerd.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof, terwijl de man een incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep, waarbij de vrouw tevens een intrekking van een onderdeel van haar cassatieberoep indiende.
De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van lagere instanties. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Snijders en Van den Brink en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 25 september 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en het incidenteel cassatieberoep zonder nadere motivering.