ECLI:NL:HR:2015:269

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2015
Publicatiedatum
10 februari 2015
Zaaknummer
14/06078
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring van aanvraag tot herziening wegens onvoldoende motivering

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin de aanvrager was veroordeeld voor mensenhandel en andere strafbare feiten. De Hoge Raad beoordeelde of de aanvraag tot herziening voldeed aan de wettelijke vereisten, waaronder een nauwkeurige omschrijving van het novum en een onderbouwing waarom dit tot een andere uitkomst zou leiden.

De Hoge Raad benadrukte dat een aanvraag tot herziening alleen in behandeling kan worden genomen indien deze voldoende gemotiveerd is, met een duidelijke omschrijving van het nieuwe feit of bewijs dat bij de eerdere terechtzitting niet bekend was. Tevens moet worden uitgelegd waarom dit novum tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou kunnen leiden.

In deze zaak voldeed de aanvraag niet aan deze strenge motiveringseisen. De aanvraag bevatte geen voldoende precisering van het novum en de impact daarvan op de bewijsvoering en de uitkomst van de zaak. Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag niet-ontvankelijk en wees zij deze af.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij twee raadsheren niet in staat waren het arrest te ondertekenen. De uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van de motiveringseisen bij herzieningsverzoeken in het strafrecht.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

10 februari 2015
Strafkamer
nr. 14/06078 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 29 juni 2011, nummer 24/001258-08, ingediend door mr. E. Oversier, advocaat te Hoofddorp, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2008 - de aanvrager ter zake van 1. "mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", 2. "een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen" en 5. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij M. Singh toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen onderscheidenlijk de teruggave gelast van de voorwerpen genoemd in het arrest.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
Naar luid van art. 460, tweede lid, Sv dient de aanvraag de gronden te vermelden waarop deze berust. De aanvraag zal dus naar behoren gemotiveerd dienen te zijn. Dat vindt bevestiging in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot het huidige art. 460 Sv Pro heeft geleid (Kamerstukken II 2008−2009, 32 045, nr. 3, p. 32).
3.3.
Hieruit - bezien in samenhang met de omstandigheid dat ingevolge art. 460 Sv Pro de indiening van herzieningsaanvragen is voorbehouden aan rechtsgeleerde raadslieden en de procureur-generaal bij de Hoge Raad - volgt dat uitsluitend een herzieningsaanvraag welke aan deze motiveringseis voldoet, in behandeling kan worden genomen. Een aanvraag die daaraan niet beantwoordt, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld en moet daarom buiten behandeling blijven.
3.4.
Dat betekent dat ingeval een op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv steunende aanvraag een beroep doet op een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling,
(a) de aanvraag een nauwkeurige omschrijving dient te behelzen van bedoeld gegeven (hierna: het novum), dus zonder daartoe slechts te verwijzen naar eventuele bijgevoegde bescheiden;
(b) de aanvraag de redenen moet vermelden waarom het novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden;
(c) de aanvraag, indien deze ertoe strekt de bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie dient uiteen te zetten (i) waarom welk onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde bescheiden leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduid gedeelte van de bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak destijds zou hebben geleid tot een vrijspraak.
Slechts indien de aanvraag aan deze eisen voldoet, is de Hoge Raad in staat de gegrondheid ervan adequaat te beoordelen. Indien de aanvraag aan die eisen niet voldoet, kan zij op grond van een tekortschietende motivering niet gelden als een aanvraag in de zin der wet en moet zij daarom buiten behandeling blijven.
3.5.
De aanvraag voldoet niet aan de hiervoor onder 3.4 bedoelde eisen. De aanvraag dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2015.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.