Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 februari 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het beroep is ingesteld door verdachte en behandeld met schriftelijke middelen. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de raadsman van verdachte heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Wel constateert de Hoge Raad dat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden.
Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijftig maanden naar 48 maanden. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd van vijftig naar 48 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.